WEER ALS EEN KIND

 

Weer als een kind

Weer als een kind te kunnen spelen
Zonder doel, geen streven naar gewin
Te spelen alsof ’t Leven ervan afhangt
Vol aandacht, met Hart en Ziel en Zin

Weer als een kind te kunnen kijken
Vol verwondering, met onbevangen blik
Te observeren zonder oordeel
Onvoorwaardelijk door dun en dik

Weer als een kind te kunnen horen
Met oren als van een olifant
Elk geluid als nieuw te betekenen
Te luister in het ganse land

Weer als een kind te kunnen lachen
Vol vreugde, blijdschap en plezier
Uit volle borst, met overtuiging
Zonder gêne, schuld, gemier

Weer als een kind te kunnen stoeien
Vol passie en met alle kracht
De kieteldood opnieuw te sterven
Schatersnikkend uit alle macht

Weer als een kind te kunnen luchten
De ademzucht steeds in en uit
Te durven snuiven als een varken
Met open neus en verwrongen snuit

Weer als een kind te kunnen leren
Nieuwsgierig, open, transparant
Te vragen tot de ander scheel ziet
Totdat geweten wordt van hoed en rand

Weer als een kind te kunnen rennen
De longen vol, de wangen rood
Te hollen als een frisse herfstwind
Langs d’horizon tot aan de dood

Weer als een kind te kunnen zingen
Geen ritme, maat, begrenst het lied
Te galmen als de eng’lenscharen
De sterren stralen, de maan geniet

Weer als een kind te kunnen schreeuwen
Grenzeloos vals en hard en luid
Te gillen tot je groen en geel ziet
Van oost tot west, van noord tot zuid

Weer als een kind te kunnen tellen
De blaadjes van een madelief
Ik houd van jou, houd jij van mij
Te tellen als een hartendief

Weer als een kind te kunnen lopen
Geen pas voordat de ander is gezet
Te stappen door het wereldwonder
Zevenmijlslaarzen opzij gezet

Weer als een kind te kunnen vervelen
Doelloos, oeverloos, schijnbaar leeg
Dralen als aang’naam tijd verpozen
Eindeloos tot kind weer Zin kreeg

Weer als een kind te kunnen klimmen
Geen berg te hoog, geen brug te ver
Te klauteren als overspelig aapje
Slingerend van ster naar ster

Weer als een kind te kunnen slapen
Tevreden over de voorbije dag
Te dromen over fee en elven
En over geliefde’s warme lach

Weer als een kind te kunnen bouwen
Zandkasteel en lego meters hoog
Ivoren torens storten zachtjes neder
Onder overspannen hemelboog

Weer als een kind te kunnen dromen
Van draken, elven, prinses en prins
Fantasieën zonder bloed en tranen
Magie en Licht nabij en ginds

Weer als een kind te kunnen dansen
Met eigen sjans en trance op deun
Te wervelen als een ballerina
De tenen jubelen zonder kreun

Weer als een kind te kunnen kussen
Met natte mond vol suikerspin
Te zoenen als van harten lusten
Zonder einde of begin

Weer als een kind te kunnen vrijen
Zo open als een lenteroos
Bevrijden tot de vonken springen
Tot Eros staakt, jaloers en boos

Weer als een kind te kunnen clownen
Gekke bekken tot het twaalfde uur
Tonelen tot de klok haar uur slaat
En al bevriest voor lange duur

Weer als een kind te kunnen eten
Gewoon omdat het honger heeft
Te schransen tot haar buikje bolt
Een boertje eindigt heel beleefd

Weer als een kind te kunnen drinken
Met schielijk slikken en natte kin
Te zuipen als een dorstig paardje
In de zwoele zomerwind

Weer als een kind te kunnen huilen
Om alles, niets en al wat leeft
Te wenen om een dood klein miertje
Is waar ons Hart toch stil van beeft

Weer als een kind te kunnen kroelen
Vol overgave, vurig, vol geluk
Te knuffelen met of zonder poes(pas)
Dan kan het Leven niet meer stuk

Weer als een kind
Weer als een kind
Weer als een kind

 

Emmeline Vriend / april 2011